30 november

Hier begint letterlijk een nieuw hoofdstuk in die lange
heilsgeschiedenis. David ligt op zijn sterfbed en er dreigt een
grote crisis vanwege de troonsopvolging: Adonia doet een
greep naar de macht. Maar dan staat Batseba, de moeder van Salomo, op, nadat Natan haar heeft gewaarschuwd! Het is nú het moment voor Batseba om naar voren te stappen, in the spotlight te treden. Niet Salomo, maar zíj herinnert David aan zijn belofte.
De profeet Natan, verweven met het leven van de koninklijke
familie, speelt opnieuw een belangrijke rol. Maar Batseba heeft hier de glansrol. Zíj waagt het om haar man David, vader van Salomo, te houden aan zijn belofte.
En zo geschiedde. Zonder Batseba zou de koninklijke lijn van het huis van David menselijkerwijs wellicht zijn opgehouden. Nu gaat het verhaal verder: van buurvrouw naar koningin, en van koningin naar koningin-moeder.

Koningen 1: 11-31

11Natan zei tegen Batseba, de moeder van Salomo: ‘Hebt u het gehoord? Adonia, de zoon van Chaggit, is buiten medeweten van onze heer David tot koning uitgeroepen. 12Laat mij u raad geven: stel uw leven en dat van uw zoon Salomo in veiligheid! 13Ga naar koning David en zeg hem: “Hebt u, mijn heer en koning, mij niet zelf gezworen dat mijn zoon Salomo na u koning zou zijn, en dat hij op uw troon zou zitten? Waarom is Adonia dan koning geworden?” 14Terwijl u met de koning spreekt, zal ik binnenkomen en uw woorden aanvullen.’ 15Batseba ging het vertrek binnen waar de oude koning werd verzorgd door Abisag uit Sunem. 16Ze knielde voor de koning neer en boog diep voorover, en hij vroeg haar wat ze wenste. 17‘Mijn heer,’ antwoordde ze, ‘u hebt me bij de HEER, uw God gezworen: “Jouw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten.” 18Maar nu is buiten uw medeweten Adonia tot koning uitgeroepen. 19Hij heeft een offerfeest gehouden en een stier en een groot aantal vetgemeste schapen en geiten geslacht. Alle koningszonen heeft hij uitgenodigd, en ook de priester Abjatar en opperbevelhebber Joab, maar uw dienaar Salomo niet. 20Nu, mijn heer en koning, zijn de ogen van heel Israël op u gericht. Van u wil men horen wie er na u op uw troon zal zitten. 21Anders zullen mijn zoon Salomo en ik na uw dood van hoogverraad beschuldigd worden.’ 22Terwijl Batseba met de koning sprak, kwam de profeet Natan zijn opwachting maken. 23Men kondigde de koning aan: ‘Natan de profeet!’ Natan liep op de koning toe, boog diep voorover 24en vroeg: ‘Mijn heer en koning, hebt u bevolen: “Adonia zal koning zijn na mij, en hij zal op mijn troon zitten”? 25Adonia is vandaag namelijk naar de Rogelbron gegaan om een offerfeest te houden. Hij heeft een stier en een groot aantal vetgemeste schapen en geiten geslacht. Alle koningszonen heeft hij uitgenodigd, en ook de bevelhebbers en de priester Abjatar. Nu zijn zij allen met hem aan het eten en drinken, en ze roepen: “Leve koning Adonia!” 26Maar mij, uw dienaar, heeft hij niet uitgenodigd, evenmin als de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo. 27Als dit van u is uitgegaan, mijn heer en koning, waarom hebt u mij dan niet laten weten wie er na u op uw troon zou zitten?’

28Koning David nam het woord en beval: ‘Laat Batseba hier komen.’ Batseba liep op de koning toe en ging voor hem staan, 29en de koning zwoer: ‘Zo waar de HEER leeft, die mij steeds uit de nood heeft gered, 30vandaag zal ik doen wat ik je bij de HEER, de God van Israël, gezworen heb: je zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal in mijn plaats op mijn troon zitten.’ 31Batseba knielde neer, boog diep voorover en zei: ‘Moge mijn heer, koning David, leven tot in eeuwigheid.’