In het AD kwam ik in het kader van de Geldmaand een aardig verhaal tegen. Een financieel psycholoog onderscheidt verschillende geldtypes. De struisvogel bijvoorbeeld, die geldzaken liever een beetje op afstand houdt. De pauw, voor wie geld ook iets mag laten zien: succes, kwaliteit en wie je bent. En de ekster, die altijd alweer bezig is met de volgende stap: meer verdienen, meer sparen, een volgend doel bereiken.
Ik dacht: wat voor geldtype zou ik eigenlijk zijn?
Maar je kunt de vraag ook anders stellen. Want ook de Bijbel staat vol met mensen en hun geld. En daar worden de verschillen soms behoorlijk scherp zichtbaar.
Neem de rijke jongeman. Hij komt bij Jezus met een serieuze vraag: wat moet ik doen om het eeuwige leven te ontvangen? Jezus raakt hem precies op de plek waar het zeer doet: verkoop wat je hebt, geef het aan de armen en volg Mij. De man gaat verdrietig weg. Hij had veel bezittingen, maar misschien hadden die bezittingen vooral hém.
Dan Ananias en Saffira. Ze verkopen een stuk grond, houden een deel van het geld achter en doen vervolgens alsof ze alles gegeven hebben. Het probleem was niet dat ze geld achterhielden. Het probleem was dat ze mooier en vrijgeviger wilden lijken dan ze werkelijk waren.
Jezus vertelt ook over de rijke dwaas. Een man bij wie de oogst zo goed is dat zijn schuren te klein worden. Dus: grotere schuren bouwen, alles opslaan en vervolgens tegen zichzelf zeggen: nu heb ik genoeg voor vele jaren. Eet, drink en geniet ervan. Maar God zegt: Dwaas, vannacht zal je leven van je worden teruggevorderd. En van wie is dan alles wat je verzameld hebt?
En dan die indringende woorden van Jezus over mensen die honger hadden, dorst hadden, geen kleding hadden of vreemdeling waren. Wat je voor een van de geringsten hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan. Dan blijkt opeens dat de vraag niet alleen is hoeveel er op onze rekening staat, maar ook wat ons geld voor een ander heeft betekend.
Daarmee is geld op zichzelf niet verkeerd. We mogen sparen. We mogen genieten. We mogen iets moois kopen. We mogen ook verstandig omgaan met wat we hebben. Maar de Bijbel stelt er steeds één vraag bij: wie is eigenlijk de baas?
Jezus zegt het heel eenvoudig: Je kunt niet God dienen én de mammon.
Misschien is dat wel een mooie aanvulling op zo’n moderne geldtypetest. Ben ik een struisvogel, een pauw of een ekster? Interessant. Maar de Bijbelse vraag gaat nog iets dieper:
Zie ik mijn geld en bezit als van mij — of als iets wat mij voor een poosje is toevertrouwd?
Want onze gezondheid, onze mogelijkheden, ons huis, onze bankrekening, onze spullen: uiteindelijk hebben we het allemaal gekregen. En hoe stevig we het soms ook vasthouden, het is kwetsbaar. Iemand kan vandaag multimiljonair zijn en later vrijwel alles kwijt zijn.
Maar daarmee is niet alles gezegd.
Want als christenen leven we niet alleen met het besef dat alles hier tijdelijk is. Wij hebben een toekomst vol van hoop. Wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
We laten ons geld en goed achter, maar onze toekomst ligt niet in wat we hier hebben verzameld. Die ligt bij God.
Misschien is dát uiteindelijk wel de interessantste geldtest:
niet hoeveel heb ik, maar waar ligt mijn schat — en waar ligt mijn hoop en zekerheid.




