Gezien worden

Ik sprak pas gistermorgen een mevrouw die iets vertelde over haar werk. Er was kennelijk nogal een kloof tussen de mensen van de binnendienst en die van de buitendienst.

Ze haalde de nieuwjaarsreceptie nog even aan. De baas van de organisatie liep keurig rond en wenste het personeel een gelukkig nieuwjaar. Handje hier, praatje daar.

Maar de mensen van de buitendienst, die in hun werkkleding binnenkwamen, werden min of meer genegeerd.

Niet gezien.

En daar waren ze, maanden later, nog boos over.

Ik moest eraan denken hoe gemakkelijk dat eigenlijk gaat. Wie belangrijk voor ons is, wie iets voor ons kan betekenen, wie misschien een treetje hoger staat op de maatschappelijke ladder: die zien we wel.

Daar bestaat zo’n weinig verheffende uitdrukking voor: omhoog likken en naar beneden trappen.

Misschien is dat laatste wat stevig uitgedrukt. Want meestal wordt er helemaal niet getrapt.

Je ziet iemand gewoon niet.

Ik herinner me afscheidsrecepties uit mijn werkzame leven. Je zou denken dat zo’n receptie bedoeld was om afscheid te nemen van een collega die met pensioen ging of een andere baan had gevonden.

Nou ja… óók.

Er werd vooral ontzettend genetwerkt. Even praten met die directeur. Daar staat iemand die misschien iets voor je kan betekenen. Even aansluiten. Zorgen dat je door de juiste mensen wordt gezien.

En degene die niets voor je carrière kon betekenen?
Die kon rustig naast de bitterballen blijven staan.

Niets nieuws onder de zon
En dan kom je ineens bij de Bijbel terecht.

In Prediker 9 staat het verhaal over een kleine stad die wordt bedreigd door een machtige koning. In die stad woont een arme, maar wijze man. Hij beschikt over de wijsheid waarmee de stad gered kan worden.

En dan staat er zo’n zinnetje waar je zomaar overheen leest:
‘Maar geen mens dacht aan die arme man.’

Zijn wijsheid was er wel. Maar zijn aanzien niet.

Een paar eeuwen later schrijft Jakobus over iets vergelijkbaars. Er komen twee mensen een bijeenkomst binnen. De één draagt prachtige kleren en gouden ringen. Die krijgt een mooie plaats aangeboden.

Dan komt er iemand binnen in armoedige kleding.

Blijf jij daar maar staan.

Jakobus draait er niet omheen: dan meet je met twee maten.

We zijn tweeduizend jaar verder, maar zoveel is er kennelijk niet veranderd. De gouden ring is misschien vervangen door een mooie functie, een titel, een groot netwerk of tegenwoordig door heel veel volgers en likes.

Eerste, tweede, derde…

En terwijl ik met deze krabbel bezig was, zat ik ook nog wat prijsjes te printen voor onze familiedag van aanstaande zaterdag.

Bekers.|
Eerste prijs, tweede prijs en derde prijs.

Voor nummer één natuurlijk een loeigrote beker. Nummer twee wat kleiner. Nummer drie nóg wat kleiner.
Heel normaal. Zo doen we dat.

Maar terwijl die dingen uit de printer kwamen, dacht ik ineens: waarom eigenlijk?

Waarom niet drie dezelfde bekers? Of drie dezelfde bossen bloemen?

Kennelijk zit dat podiumdenken behoorlijk diep in ons systeem. Er moet een nummer één zijn en die staat ook letterlijk hoger dan de rest. De grootste beker, de meeste bloemen, de meeste aandacht.

Natuurlijk, winnen is mooi. Bij sport hoort competitie en iemand die een bijzondere prestatie levert, mag daar best voor worden beloond.

Ik ga ook niet om de vrijheidsboom dansen met ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ en verkondigen dat we allemaal hetzelfde zijn.
Dat zijn we niet.

De één kan harder lopen dan de ander. De één kan prachtig zingen en bij de ander kun je misschien beter de microfoon uitzetten. De één kan leidinggeven en de ander is veel gelukkiger wanneer iemand anders dat doet.

Maar niet gelijk zijn is iets anders dan niet gelijkwaardig zijn.

Misschien zit daar wel de kern.

Thuis las ik gistern  (toevallig?)  de tekst van de dag van 1 september, uit Galaten 6. Daar stond:

‘Wij moeten altijd als we daar de gelegenheid voor hebben, voor iedereen goed en vriendelijk zijn.’

Voor iedereen.

Dat woordje bleef even hangen.

Niet alleen voor degene die iets voor je kan betekenen. Niet alleen voor degene die boven je staat. Niet alleen voor degene die bij jouw clubje of bubbel hoort.

In de dagtekst stond ook een mooie vergelijking. Wij zijn soms net oesters. We houden onze schelp het liefst een beetje dicht, want er moet vooral geen irritante zandkorrel binnenkomen. Maar juist zo’n zandkorrel kan uiteindelijk een parel worden.

Het gevaarlijke van dit hele verhaal is natuurlijk:
voor je het weet doe je er zelf aan mee.

Je kunt het ook bij een vereniging, kerk of club meemaken. Zolang je voorzitter, scriba, secretaris of regelneef bent, weten ze je te vinden.

Mailtje hier. Telefoontje daar.
Kun jij dit nog even regelen?
Aan de bar: Neem nog een pilsje, die is van mij.
En dan treed je af. Heel gewoon, volgens het rooster.
Het wordt stil op de mail.
En dat gratis pilsje? Ook verdwenen.

Blijkbaar smaakte dat biertje vooral naar je functie.

Ach, het zit zo gauw in ons.

Daarom misschien af en toe maar eens om ons heen kijken. Niet alleen naar nummer één op het podium. Niet alleen naar degene met de grootste beker, de belangrijke functie, de meeste volgers of het grootste netwerk.

Maar ook naar degene die een beetje aan de kant staat.

De man in zijn werkkleding op de nieuwjaarsreceptie.
Degene die geen voorzitter meer is.
Nummer drie met zijn kleine bekertje.
Of die arme, wijze man uit Prediker naar wie niemand luisterde.

Niet de vraag:

Wat heb ik aan jou?
Maar:
Zie ik jou eigenlijk wel?

Misschien zijn die paar woorden uit Galaten dan wel voldoende:
Als we de gelegenheid hebben, laten we dan goed zijn voor iedereen.

Gezien worden kost niets.Je moet alleen even kijken.

Met vriendelijke groeten

Anne Albert Martini

Tijd

If I Only Had Time If I only had time… Een liedje van vroeger. John Rowles zong het al: als ik maar tijd had. En wie heeft...
spot_img
Vorig artikel

Explore our articles