Met Ignatius gaan we heel ver terug in de kerkgeschiedenis. Ignatius was een vroeg-christelijke voorganger die stierf aan het begin van de tweede eeuw, waarschijnlijk in het jaar 115, al zijn er ook berichten dat hij al in 110 overleed. Zeker is wel dat hij in Rome – tijdens keizer Trajanus – in het reusachtige Colosseum, tot plezier van het publiek, voor de wilde dieren werd geworpen. Zo stierf hij de marteldood. Evenals veel andere christenen. Maar – en dat is het bijzondere – dat was nu juist wat Ignatius zo fel had begeerd: het martelaarschap! Vreemd, bizar? We willen proberen te begrijpen waarom hij daar zo naar verlangde. En ook gaan we na hoe hij zijn medechristenen verder heeft gediend.

Opziener na de apostelen
Ignatius heeft als jongeman de apostelen van Christus gekend. En misschien heeft hij de Here Jezus wel persoonlijk meegemaakt. Een legende vertelt dat hij het kind was dat eens door Jezus midden in de kring van de discipelen werd neergezet en toen met enkele andere kinderen door de Heiland gezegend werd. Maar de Bijbel noemt geen kindernaam.

Ignatius trad omstreeks het jaar 70 in de Syrische stad Antiochië op als ‘episcopos’, letterlijk ‘opzichter’ of ‘opziener’, in de tijd dat de ene na de andere apostel kwam te sterven. Van zijn leven is ons heel weinig bekend gebleven: uit slechts zeven brieven kunnen we fragmenten van zijn levenswerk nagaan. Van zijn reis op weg naar het drama van zijn sterven weten we nog het meest. Ignatius staat in de kerkgeschiedenis bekend als een van de ‘apostolische vaders’.

Antiochië
De plaats waar Ignatius als bisschop diende was dus Antiochië in Syrië, nu een stad in Zuidoost-Turkije. Antiochië – waar in de tijd van Ignatius een half miljoen mensen woonde – wordt in het Nieuwe Testament enkele keren genoemd. Paulus had er na zijn bekering gewoond, een jaar lang.

Binnen het Romeinse rijk nam deze stad een vooraanstaande positie in: ze was de derde stad van het rijk (na Rome en Alexandrië). In deze wereldstad was al vrij gauw na de grote Pinksterdag een gemeente gevormd. Na de gewelddadige dood van Stefanus waren veel ‘gelovigen uit de joden’ uit Jeruzalem verjaagd; ze hadden hun toevlucht gezocht in noordelijke gebieden, zoals Fenicië, Cyprus en Antiochië (Hand. 11:19).

Andere, buiten-bijbelse berichten vermelden dat Petrus hier een gemeente had gesticht en een zekere Euodios als eerste ‘episcopos’ hebben aangesteld. En Ignatius geldt dan als diens opvolger. Petrus was toen al de marteldood gestorven, in Rome.

In Antiochië (nu Antakya) wordt de toerist een ietwat afgelegen plek aangewezen waar Petrus met de gemeente zou zijn bijeengekomen. Een archeologische vondst van een zilveren avondmaalsbeker met een afbeelding van Christus versterkte dat idee. En helemaal bijzonder: misschien had Petrus die beker zelfs wel meegenomen uit Jeruzalem en zou hij gezegd hebben dat het de beker was van Jezus’ laatste avondmaal. Aldus de legendarische verhalen rond deze beker.

De eerste volgelingen van Jezus in Antiochië hadden een joodse achtergrond met als bijzonder kenmerk de Griekse (= hellenistische) cultuurwereld. In de ogen van andere joden waren ze geen ware joden meer, en al helemaal niet nu ze als volgelingen van Jezus Christus de besnijdenis niet meer nodig achtten. In Antiochië werden de gelovigen als eersten in de kerkgeschiedenis ‘christenen’ genoemd (Handelingen 11:26). Ze richtten zich met het evangelie eerst op de joden, maar later vooral op de heidenen. Deze gemeente kan men zien als springplank voor de zending.

De reacties op de verkondiging waren heel divers: bij sommigen vond het evangelie gehoor, bij anderen stuitte het af op wantrouwen. Verdraagzaamheid en onverdraagzaamheid wisselden elkaar af – zowel vanuit de bevolking als vanuit de kringen van de Romeinse overheid. Sommige keizers wisten zeker dat christenen hun rijk ten onder zouden doen gaan. Zij tastten de fundamenten aan door geen Romeinse god meer te vereren. En dat moest uiteraard bestreden worden. Maar keizer Trajanus stelde geen opsporingsdienst in en was ook afkerig van het stiekem aangeven van christenen. Christenen moesten gepakt worden als ze publiek weigerden de Romeinse goden te vereren. Wie zich voor de rechtbank alsnog ‘bekeerde’ tot het heidendom kreeg gratie. Maar dat hoefde men van Ignatius niet te verwachten.

“Ik smacht ernaar te sterven”
Ignatius wilde graag als martelaar sterven. In zijn brief aan de gemeente te Rome schrijft hij letterlijk: “Ik smacht ernaar te sterven.” Volgens enkele kerkhistorici uit de vorige eeuw was Ignatius, zonder het zelf gewild te hebben, een ‘concurrent’ van Jezus door ten behoeve van het volk te willen sterven. Die als vroom aangemerkte houding betekende volgens een andere onderzoeker dat Jezus en Ignatius (met de kerk) elkaar iets gaven en ook van elkaar weer iets ontvingen. In ieder geval zag men in de doodswens van Ignatius een passie om Jezus na te volgen tot in het hiernamaals. De bisschop had een sterk verlangen naar vervolmaking. Daarover nadenkend trachtten weer anderen een psychologische verklaring te vinden; zij stelden dat het hevige doodsverlangen bij Ignatius voortkwam uit een gevoel van onderwaardering van zichzelf. Hij had zo vaak gefaald en zijn geweten klaagde hem steeds weer aan; hij zag maar één uitweg: het martelaarschap.

Wel, zo bestaan er nog meer mogelijke achtergronden te berde te brengen. Maar bij Ignatius zelf zal men er niets concreets over vinden. Een recente publicatie (2003), die van dr. Henk Bakker, evangelisch theoloog, beweegt zich binnen m.i. aanvaardbare kaders als hij stelt dat Ignatius zich als herder offerde voor zijn kerk om conflicten te bezweren en Gods straf daarvoor af te wenden. Hij noemt zich een ‘zondebok’ en ook wel ‘losgeld’. Zijn offer zou dus heil kunnen brengen. Voor de kerk en de stad. En dat brengt ons bij een ander thema dat het leven van deze bisschop heeft beheerst, namelijk de eenheid van de kerk.

Hoe bewaar je de eenheid van de kerk?
De christelijke kerk is altijd omgeven geweest door pogingen om een verkeerde leer in te voeren. In de tijd van Ignatius was er bij sommigen een opvatting ontstaan dat Christus als Gods Zoon geen echt mens was geweest. Ze redeneerden heel eenvoudig: God is een Geest en kan dus geen mens worden. En Christus was dat dus ook niet. Hij had een schijnlichaam aangenomen. Deze leer wordt het docetisme genoemd (afgeleid van het Griekse werkwoord dokeò = schijnen, lijken). De eerste signalen van deze leer waren al door de apostel Johannes bestreden in zijn eerste brief. En Ignatius heeft in een aantal brieven ook scherp gewaarschuwd tegen deze ketterij.

Het beste middel om de eenheid van het geloof – en dus van de kerk – te bewaren was volgens Ignatius dat de gelovigen zich houden aan de woorden van hun ambtsdragers, waaronder de bisschop de eerste is. Als we ‘bisschop’ gewoon vertalen met ‘opziener’ dan is er niets aan de hand. Maar er is ook een ontwikkeling op gang gekomen om de bisschop op een hoger plan te brengen; een en ander mondde uit in een hiërarchisch systeem dat nog in veel kerken in stand houdt. Ignatius zou dan de eerste zijn die dit systeem heeft bepleit. Deze mening zegt vaak meer van de mensen die hem hanteren dan van Ignatius zelf.

Deze bisschop ging als gevangene met blijdschap op weg van Antiochië naar Rome. Onderweg deed hij verschillende gemeenten aan in Klein-Azië, waar hij ook afscheid nam van zijn collega Polycarpus van Smyrna. Ignatius was erop tegen dat men gratie voor hem aanvroeg bij de Romeinse keizer. Hij wilde graag zijn leven geven. En zo is hij – op 17 oktober van het jaar 115  – het Colosseum binnengeleid, waar de wilde dieren hem doodden.

Ignatius had zijn leven over voor zijn gemeente en wilde zo eer betuigen aan zijn Heiland die ook onder Romeinse macht was gekruisigd en gestorven. Zijn bijnaam was: Theophoros, d.w.z. Hij die aan God was overgegeven, of: Drager Gods. God droeg hem en hij droeg God in zijn hart.

© Dr. Harm Veldman, Zuidhorn     

 

Vorig artikelSchoolmeestersrapport Doezum
Harm Veldman
Mijn naam is Harm Veldman (* 1942) en ik ben sinds 1965 decennia lang onderwijzer/leraar geschiedenis geweest. Ik heb daarnaast veel onderzoek gedaan naar lokale en regionale kerkgeschiedenis, maar ook naar de nationaal-kerkelijke ontwikkelingen in Nederland. Mijn grote interesse betreft de eeuw van de Europese Reformatie.Mijn promotieonderzoek richtte zich op het leven en werk van Hendrik de Cock, de ‘vader van de Afscheiding van 1834’. De promotie vond plaats in 2009 aan de Theologische Universiteit van de GKv te Kampen, promotor was prof. dr. M. te Velde.