Taal

Hunne taal is zeer eenvoudig en verschilt in vele opzigten zeer veel van de echt Nederduitsche taal; het volgende voorbeeld waarin een landbouwer voorgesteld wordt by eenen burger in het dorp te komen moge daarvan ten bewyze verstrekken. Landb. Gôuden dag; Burger. Dag Boer! L. Höu gait ‘t? B. Göud, hou gait ‘t joe nog? L. Ook göud. B. Höu gait ‘t joen vrouw en kiender L. Göud, de gröutenis. B. Gaat wat zitten. (De Boer neemt plaats.) B. Steekt rys an. (De Burger presenteert tabak) L. Wat dunkt joe van ‘t weer? B. ‘k wyd nyt, de wiend is weer wat omkrompen, mie dunkt wie kriegen weer regen. L. Dat kon wel wezen. B. Hei joen zaad al tuus? L. Wel nee, nog lang nyd. B. Jong dat zigt ‘r mal uut tegenwoordig. L. Ja, wel deeg. En zoo vervolgens eenigen tyd over weder en wind, en over de werkzaamheden des landbouwers geredeneerd hebbende, wordt dit bezoek eindelyk op deze of dergelyke wyze afgebroken. Landb. Kom ik môut ook weer na huus. Burg. O! ‘t is nog nyd laat L. Nee, maar ‘t is ook gauw etenstied B. Ja, dat scheelt nyd veul L. Ie möunen ök rys komen B. Ja, dat sek rys döun L. Göun dag mitten kander! B. Dag boer! groutenis an joen vrouw L. Dat sek döun.

Karakter

Over het algemeen is ieder ingezetene yverig werkzaam in zyn beroep, ten einde door zyne werkzaamheid een behoorlyk levensonderhoud te vinden. Zuinigheid en zindelykheid huisvest tevens by de meeste ingezetenen. Wenschelyk ware het evenwel dat de zoo hatelyke geveinsdheid in zuivere opregtheid, en de zoo dikwerf bestaande tweedragt in eendragt mogte verkeeren. Hoe zee rook sommige gewoonten der dorpelingen met die der landbouweren verschillen, zyn er echter ook welke volkomen aan elkander gelyk zyn. – De tyd van opstaan en naar bed gaan is by den landbouwer en den daglooner meestal bepaald op ‘s morgens te vier en des avonds te acht uren, terwyl de burger in het dorp er nog wel eens een of twee uur byvoegt. De tyd van ontbyten, van middageten en van avondeten wordt des morgens te acht, des middags te twaalf, en des avonds te zes uren, door het luiden der dorpsklok, voor de geheele gemeente aangekondigd.

Vermaken en uitspanningen vinden er buiten het zang- en muzykgezelschap weinig plaats. Onderlinge bezoeken hebben byna alleen des winters nu en dan plaats, hetwelk gewoonlyk des zondags avonds geschiedt, onder het gebruik van chocolade, koffy en sterke drank. De dagelyksche spyzen worden veelal genomen uit de producten welke in deze gemeente worden voortgebragt. De aardappelen worden evenwel het meest genoten; doch onder alle spyzen wordt niets zoo veelvuldig gebruikt als de karnemelksbry, welke voornamelyk by den landbouwer, niet minder dan achttien malen ‘s weeks, by wyze van nageregt genoten worden. Onder de drunken wordt niets zoo veelvuldig gebruikt als de koffy, waarvan by de meeste dorpelingen althans gewoonlyk vyf malen ‘s daags eenige kopjes genoten worden. De voormalige plegtigheden by het trouwen zyn niet meer in gebruik, dewyl de voltrekking des huwelyks niet meer in de kerk, maar in het gemeentehuis plaats heft voor den Burgemeester en in tegenwoordigheid der hoogst noodige getuigen.

De begravenisplegtigheden zyn echter nog aanmerkelyk dewyl daarby gewoonlyk nog de gehele familie van den overledenen, de predikant, de kerkeraad, de schoolonderwyzer, het geheele of gedeeltelyke nabuurschap en byna alle ambachts- en neringdoende lieden uitgenoogigd worden. Na het eindigen der begravenis wordt men als dan op wittebrood en bier onthaald.

Met betrekking tot de verlichting en beschaving der ingezetenen heft ere en merkbaar verschil plaats. De minvermogende staat op eenen lage trap, doch de meer gegoede behoeft in dezen niet voor die der andere gemeenten onder te doen. Hoogst ongelukkig is het intusschen dat er hier minder dan elders voor het aanvankelyk onderwys der minvermogenden gezorgd wordt, hetwelk toch als grondslag van alle beschaving en verlichting kan en moet beschouwd worden. Wenschelyk ware het derhalve dat men eens eenmaal deze plaatselyke regering noodzaakte diè maatregelen te nemen, welke dienstbaar konden zyn aan de bevordering van het onderwys der jeugd en aan het lot des onderwyzers. Naarmate van deze verschillende verlichting en beschaving heerscht er ook zeer veel verscheidenheid van denkwyze, vooral met betrekking tot den godsdienst, waaruit als van zelve voortvloeit dat er bezwaarlyk een leeraar van den godsdienst eenig algemeen genoegen zal kunnen geven of eenig duurzaam nut stichten, dewyl hy aan de eene party behagende dikwerf aan twee of meer partyen mishaagt. Doch hoe zee rook tot hier de zoo schadelyke dweepachtige gevoelens onder deze inwoners heerschende waren, beginnen evenwel deze gevoelens, door het afsterven der ouden en het tegenwoordige systhema van godsdienstig onderwys, langzamerhand te verminderen. Overigens schynt er by een groot gedeelte der ingezetenen bloei en welvaart te heerschen.