Home Harm Westra Schoolmeestersrapport Zuidhorn

Schoolmeestersrapport Zuidhorn

0
Schoolmeestersrapport Zuidhorn

Taal
De platte taal der bewoners dezes dorps is voor het grootste gedeelte, gelykvormig aan die, welke gesproken wordt, in het overig gedeelte van de provincie Groningen. Doordien het West-Stadsvriesch echter meer dan de Groningsche taal overeenkomt met het zuiver Hollandsch, en deze dorpelingen veelal met de Westvriezen, door derzelver nabyheid en mogelyke afkomst van Vriesland, verkerende en omgaande, zoo is hunne taal meer beschaafd en gekuisord, dan wel die van andere deelen dezer provincien. Duidelyk is Vrieslands nabyheid op te merken in eenige woorden, door velen alhier gebezigd in: Jimme, hooi enz. In vele eigennamen van menschen, die veelal dezelfden uitgangen hebben als die, welke in Vriesland gemeen zyn byzonder, ma, stra, da enz. door het gedurig misbruiken van den i voor ie in Sient, voor spint, wiend voor wind enz. en door de zacht korte o voor de scherp-korte in worst voor worst, wortelen voor wortels enz. is hunne taal weder minder aan het Hollandsch gelykluidend. Byzonder in het oog vallend is het onkiesch gehoor dezes inwoners om vooral by de kinderen derzelven op te merken, dat zy zeer bezwaarlyk het onderscheid tusschen in en en kunnen hooren, schryvende zy dikwerf en voor in, en omgekeerd, b.v. Ik kin de ken wel, in plaats van, ik ken de kin wel. enz. Minder dan het zuiver Hollandsch is van hen de verwisseling van de tweeklank ui in de dubbele uu in huus voor huis, –tuun voor tuin enz. B.V. By ons huus lig een groote tuun. Doch by den Hollandsche of andere taalkenner misschien minder wanklinkenden, dan hoes voor huis of huus en toen voor tuin of tuun enz. gelyk zulks het geval is in eenige andere gedeelten dezer provincie. Als eene byzonderheid onzes dorps en ge… taal, merk ik hier aan, dat men d… de verwisseling der dubbelde ee in ÿ in bÿnen voor beenen, dylen voor deelen enz. zeer makkelyk hieruit dezen regel kan afleiden dat zulken woorden, volgens de in dit koninkryk algemeen aangenomenen spelling van de Hoogleeraar Siegenbeek, met de dubbe…… de ee moeten gespeld worden, (woorden van vreemden oorsprong, gelyk planeten en het werkwoord weten hiervan uitgezonderd).

Karakter
Om naar waarheid het karakter en de zeden myner dorpsgenooten te schetsen, hiertoe gevoel ik my gansch niet in staat, eensdeels wegens gebrek aan menschenkennis, anders doordien de gewoonte van eenige jaren my… onopgemerkt zal doen ontsnappen, en ten derde door dien de

vrees my hindert om niet soms eene snaar te roeren, welke, of …ne dorpsgenooten ongenoegen kan baren die ik door eenzydigheid, eigenliefde of oordeel niet moeste aanraken. Algemeen en onvolledig zyn dan ten dezen opzigte na volgende opmerkingen: – De inwoners dezes dorps zyn op ver… niet alle oorspronkelyk uit de provincie Groningen, veel minder in dit dorp geboortig en zy zyn over het algemeen werkzaam van aard en doordien zy van natuur tot orde, en als gevolg hiervan, tot zindelykheid geneigd zyn, zoo vindt men hier weinige ingezetenen, die hierin te kort schieten om alzoo de belang hunner huishouding verwaarloozen. Geen wonder, dat men hier de geringe woningen des arbeidsmans binnentreedt, zonder door onaangename en nadeelige lucht of door andere gevolgen van te weinig lucht tot orde en zindelykheid te zyn gedreven te worden. (Doch ook hier geldt: – Geene regel zonder uitzondering. Schoon niet verkwistend, zy zyn echter geene vÿanden om den algemeenen smaak te volgen, en zyn dus niet slaafsch aan het oude gehecht. Ofschoon zy tot vermaak zyn overhellende en zulks ook by voorkomende volksfeesten toonen, zoeken zy zich toch niet te vervrolyken door het onmatig gebruik van geestryke dranken; – schoon hierin wel eens iemand in te kort schiet, eigenlyke dronkaarts vindt met hier niet. Schoon de bygelovigheden en de vooroordeelen algemeen weinig of geene plaats vinden, zoo is de geringe klasse evenwel nog al te veel dezelve toegedaan. De landman is niet zeer gebonden aan de voorvaderlyke gewoonten opzigtelyk den landbouw en de veeteelt, maar volgt gaarne bedachtzaam het oordeel en de voorbeelden van beterwetenden en beterwerkenden. In den omgang zyn zy ver van de onbeschaafdsten dezer provincien te zyn. Opzigtelyk de godsdienst zyn zy zeer verdraagzaam en wonen de openbare godsdienst gaarne by; doch toch zoo vlytig niet als wel op andere plaatsen, dewyl zy de namiddag godsdienst, gelyk in vele andere gemeenten, zeer zeldzaam of weinig bywonen. Zy zyn geene vyanden van de Muzyk en den zang. De feestdagen worden hier, vooral door het werkvolk, stipt volgens oude gewoonten, tot het afleggen van bezoeken, wandelingen, ledig gaan en vermaken besteed: byzonder de 3de paasch, pinkster, kersmis enz. vastenavondsdagen, welke viering, in vele andere dorpen dezes provincien, als vreemd en onverklaarbaar voorkomt. De eerste zondag, op Paasch volgenden, wordt by den landman veelal door eenen beteren of eigenen maaltyd van den anderen zondagen onderscheiden en draagt den naam van Lutje Paasch. Aan lage praatzucht, laster en kwaad spreken maken zy zich weinig schuldig. Als een gevolg der afgunst, moet elk zich, (doch waar is dit wel anders? –) wachten om zynen zeilen niet te hoog te trekken. Zy zyn vryheidlievend en dulden geenen dwang, echter weinig bewegingmaken … het afschaften van oude gewoonten of het volgen van nieuwe instellingen. By de voltrekking van het huwelyk paren zy te weinig godsdienstige beginselen. Met vreemden en onbekenden laten zy zich niet spoedig vertrouwelyk in, – en zoo iemand heeft hier meer, dan wel elders, dikwyls lang te kampen, voor hy het burgerrecht verkregen heeft; doch die dan ook eens den naam verworven heeft, dat hy vroeg opstaat, deze kan rekenen op zyne behoudenis; maar wee! hem, die het fortuin hier den nek heeft toegekeerd! –

Byzonderheden, betreffende de levenswyze enz. der in- woners van Zuidhorn.

Zoo hier, als in een groot gedeelte van de Groninger Ommelanden, wordt de dorpsklok, behalve ook als blyken van te houdenen godsdienstverrigtingen der Hervormde twee of drie keer des daags geluid. Tusschen de beide nachteveningen, in het zomer-saizoen, des morgens te 8, des middags te 12 en des avonds te 6 uren, en gedurende het overige gedeelte van het jaar alleen des morgens te 8 en des middags te 12 uren. Dit klokgelui is voor den landman, en in het algemeen voor al het werkvolk de roepstem om te ontbyten, te middag, – en te avondmalen. Het ontbyten doet den landman alhier, algemeen met karnemelken pap (hier zupenbry genoemd) en met grof roggenbrood en boter en kaas. Den middagmaaltyden worden veelal gedaan met tuin- en veldvruchten en daarna met karnemelken bry – (zupenbry). en van deze tuin- of veldvruchten gebruikt men hier byzonder veel aardappelen, graauwe en groene erwten, boonen (paardeboonen) en grutten; doch ook by afwisseling wel eens, maar byzonder op zon- of feestdagen, met meelspyzen, dien vooral zamengesteld zyn van boekweiten of garstenmeel of wel beiden onder een gemengd. Den avondmaaltyden worden, behalve des zondags, wanneer men hier alsdan meest boterhammen of melkspyzen eet, gedaan met de overblyfsels van het middageten des vorigen daags (in deze platte dorpstaal prannen geheeten) en met karnemelken bry. By het doen der maaltyden by den landman, eet het werkvolk meestal in een vertrek, dat afgescheiden is van dat, alwaar de boer met zyne vrouw en kinderen spyzigen; – de laatsten echter doen zulks ook al veeltyds met het werkvolk aan ééne tafel en gebruiken eene en dezelfde spys. Veelal wordt hierin den slagttyd de kelder goed met vleesch en spek voorzien, om het in het zout en deels om het te doen rooken, te bewaren. Tegen den zomertyd is het ingezoutene pekelvleesch meestal gebruikt, als wanneer men met het rookvleesch en spek een begin maakt om zulks te gebruiken; – wordende by dezen, in den vorigen herfst geslagte dierlyke spyzen nog op nieuw toegevoegd, – verschgeslagte varkens of kalfsvleesch, dat in den zomer dan bewaard wordt in een zouachtig zuur (hier zult of zulte genoemd), en by afwisseling met het gerookte spek en vleesch gebruikt. De Bruiloften of huwelyksmaaltyden worden van tyd tot tyd minder en hebben alzoo byna geenen naam. Begravenismaaltyden (zoogenaamde Uitigsten), worden hier nog vry algemeen gegeven; doch op eene zeer eenvoudige, min kostbare en weinig omslagtige wyze. By eene dusdanige plegtigheid ziet men niets anders gebruiken, dan een kop koffy, tot dat het lyk naar de begraafplaats is gebragt, als wanneer de bakker, naar gelang het getal personen is, dat deze plegtigheid konde bywonen, het benoodigde witte brood brengt, hetwelk dan in de afwezigheid van de familie en vrienden in gereedheid op de tafel wordt gebragt, om by de terugkomst van de begraafplaats, te kunnen worden gebruikt: – onder het gebruik van deze eenvoudige spys wordt er niet anders gebruikt, dan een dronk vaderlandsch bier (kluin geheeten), en byzonder voor zulk eenen maaltyd daartoe ontboden: – in den nadenmiddag gebruikt men daarop, of een kop koffy, of een kop thee, wanneer, na het gebruik van deze drank de aanwezigen op eenen behoorlyken en gepasten tyd huiswaarts keeren. Hoe algemeen het klokkengelui te lande ook geweest zy, om na het overlyden van iemand, zulks als het ware, daardoor bekend te maken, – is zulks alhier sedert 1826 van tyd tot tyd in onbruik geraakt en eindelyk door de bemoeÿingen van de provinciale regering geheel opgehouden. De avondbyeenkomsten, vooral in den winter worden hier, byzonder by den landman, veelal nog al gerekt tot na middernacht; vooral in eenen eenvoudigen maaltyd by eenigen meer, by anderen minder naar algemeen heerschend gebruik ingerigt, bestaat hier het onthaal. Zoo dikwerf men hier chocolade gebruikt, wordt deze nog algemeen weder achtervolgd met koffy; als hebbende velen hier tot een spreekwoord: “die mÿ de chocolade schenkt is mÿ de koffy schuldig.” En ofschoon een avondbezoek al lang gerekt is, des morgens staat men hier, algemeen de landman en zyne werklieden, vroeg op; – de laatsten veelal des morgens om 4 uren; doch deze gaan, buiten bÿzondere omstandigheden ook tusschen 8 en 9 uren of daaromtrent te bed.