Nederlandse wegwijzers naar de Reformatie (3)
dr. Harm Veldman

De beweging van de Moderne Devotie heeft in steden langs de IJssel veel betekend voor het onderwijs. Hoe weinig we ook weten van de kwaliteit van de scholen in de 14de eeuw, één ding is wel zeker: met de Broeders des Gemenen Levens braken er nieuwe ideeën en praktijken door in de oude scholen.  Van twee leiders in dat vernieuwingsproces tekenen we hier een portret: Johannes Cele en Alexander Hegius.

  Jan Cele en Zwolle
Johannes (of Jan) Cele werd omstreeks 1350 geboren in Zwolle en was daarmee een tien jaar jongere tijdgenoot van Geert Groote. Hij zou Geert ontmoeten tijdens zijn studie aan de Latijnse School in Deventer, maar pas na diens bekering zouden ze een reis naar Parijs maken (1377) om boeken te kopen voor de nieuwe levensvulling van Geert.

Cele was een telg uit twee vooraanstaande families uit Zwolle, de families Stobbe(n) en Ten Weerde. Hij kreeg gelegenheid om de eerste beginselen van het Latijn te leren, al gebeurde dat toen nog aan de oude parochieschool in Zwolle. Later verkaste hij naar de beter bekend staande Latijnse School in Deventer. Met de daar opgedane kennis was het gebruikelijk een Europese studiereis te maken; dat werd eerst Praag en daarna (vermoedelijk) ook Parijs. Daar moet hij de graad van magister artium hebben behaald: meester in de vrije kunsten – met de daaraan gekoppelde bevoegdheid les te geven.

In 1377 werd Cele door het stadsbestuur van Zwolle benoemd tot rector van de Latijnse School. Hij bleef in functie tot het eind van zijn leven. Cele stierf op 9 mei 1417 en werd begraven in zijn geliefde Windesheim. Zijn school heet nu Gymnasium Celeanum.

Vernieuwing van het onderwijs
Korte tijd na zijn aanstelling als rector maakte Jan Cele met zijn vriend Geert Groote de reis naar Parijs. Op de terugweg deden ze – voorzien van diverse boeken – interessante ‘adressen’ aan, zoals het Augustijner klooster Groenendael in het Zoniënwoud onder Brussel. Daar woonde de oude en befaamde mysticus Jan van Ruusbroec (1294-1381) die als prior optrad. Hun ontmoeting leidde er bijna toe dat Cele zich in deze kloostergemeenschap wilde laten opnemen, maar Geert Groote wist hem daarvan af te houden. Jan Cele zou veel meer voor kerk en onderwijs kunnen betekenen buiten het klooster! Het onderwijs moest verbeterd worden – en daardoor ook kerk en maatschappij.

Terug in Zwolle ontwikkelde Cele zijn plannen. Zijn Latijnse school zat vol met goede bedoelingen, maar veel structuur was er eigenlijk niet. De rector wilde zijn school vernieuwen en een bredere functie – voor kerk en samenleving – laten vervullen in Zwolle zelf en in de wijde omgeving. Daartoe voerde Cele – stap voor stap – een weldoordachte reorganisatie door met een goed opgezet leerplan. En met de volgende praktische uitwerking:

  1. In plaats van les geven en ontvangen in één grote groep werd het jaarklassensysteem ingevoerd; deze scheiding van leerjaren- in lager, middelbaar en hoger onderwijs werkte organisatorisch en onderwijskundig positief: het geheel werd beter beheersbaar.
  2. Voor toelating tot en bij afsluiting van een leerjaar werden examens ingevoerd – de eisen werkten

In toenemende mate van doelgericht werken in de hand.

  1. De lessen begonnen om 6 uur in de ochtend, ook op zaterdag; de lestijden werden onderbroken door pauzes, waarin de leerlingen voldoende tijd kregen om te eten en te drinken, ook konden ze de (kruiden)tuin in voor enig onderhoudswerk, maar ook konden ze zich met een spel vermaken.
  2. In plaats van één of twee meesters voor de hele school moest er een corps van vakbekwame docenten komen; elke docent kon door zijn specialisme via zijn colleges de scholieren trainen in de beginselen van zijn vak. In de lagere klassen werden de beste leerlingen uit de hoogste klas aangesteld om les te geven.
  3. Invoering van een systeem waarbij de verantwoordelijkheid voor het leerproces bij meerdere personen en instanties kwam te liggen, met als winstpunt de grotere samenhang van het onderwijs door regelmatige interne controle.
  4. De zang van de Gregoriaanse liederen werd verbeterd – Cele was muzikaal zeer begaafd; hij was ook organist van de Grote of St. Michaëlskerk.
  5. Er werd studiebegeleiding ingevoerd, waarbij iedere docent – als mentor – met een klein aantal leerlingen de lesstof per dag repeteerde.
  6. In of bij de school moest een internaat – een fraterhuis – worden ingericht voor hen die van ver kwamen.

Toen deze nieuwe dingen in Zwolle gerealiseerd werden, bleken het heel goed aan te slaan. Van een onbekend schooltje groeide ‘de school van Cele’ uit tot een instituut dat haar leerlingen betrok uit heel Noord-Nederland en tevens uit Utrecht en Holland; zelfs vanuit Brabant, Vlaanderen en Luik, uit het Rijnland en het aan Oost-Nederland grenzende Westfalen kwamen ze naar Zwolle. Volgens oude berichten werd de Zwolse school in sommige jaren bezocht door bijna 1000 leerlingen.

Geloof en onderwijs
Jan Cele was een rector van uniek formaat. Bij hem zag men een duidelijk verband tussen het christelijk geloof en het schoolgebeuren. In de lijn van de inzichten van de Moderne Devoten zag hij leerlingen als schepselen en kinderen van God die zo goed mogelijk moesten worden opgeleid om in kerk en maatschappij hun taken te vervullen. De ongedisciplineerde leerlingen werden stevig aangepakt om zich aan de regels te houden; bij weigering werden ze verwijderd.

Door de Broeders des Gemenen Levens had men geleerd dicht bij God te leven en tot eer van God en tot zegen van hun medemensen te zijn. Juist omdat er op Latijnse Scholen kinderen uit vaak voorname falies zaten – of dat de kinderen later zelf een leidinggevende functie kregen – was het zaak om hun levensvisie zo scherp mogelijk te formuleren en dat de jongens goed in te prenten.

Invloed
Door dit leerplan – door Cele ontworpen – werd de Zwolse school bekend in heel Europa. Het kwam zo ver dat dit als model door andere Latijnse scholen werd overgenomen. Zoals o.m. in Den Bosch, Luik, Leuven en Straatsburg. In laatstgenoemde stad was in de tijd van de Reformatie Johannes Sturm, rector van het gereformeerd gymnasium, een warm verdediger van de onderwijsprincipes van Jan Cele. Die werden later in Genève gerealiseerd ten tijde van Calvijn en zijn vriend de classicus Mathurin Cordier. Ook in diverse Duitse regio’s ten oosten van de Rijn werden Latijnse scholen ingericht naar de principes van Jan Cele. En toen in 1575 de Leidse Academie van start ging, kwamen de denkbeelden uit het leerplan van Cele in verdiepte en verrijkte vorm weer terug in Nederland.

Vorig artikelAdventsberichten
Volgend artikelTwee devote onderwijshervormers in het IJsseldal (2)
Mijn naam is Harm Veldman (* 1942) en ik ben sinds 1965 decennia lang onderwijzer/leraar geschiedenis geweest. Ik heb daarnaast veel onderzoek gedaan naar lokale en regionale kerkgeschiedenis, maar ook naar de nationaal-kerkelijke ontwikkelingen in Nederland. Mijn grote interesse betreft de eeuw van de Europese Reformatie.Mijn promotieonderzoek richtte zich op het leven en werk van Hendrik de Cock, de ‘vader van de Afscheiding van 1834’. De promotie vond plaats in 2009 aan de Theologische Universiteit van de GKv te Kampen, promotor was prof. dr. M. te Velde.